Jarenlang was de meest gestelde vraag van bedrijven die carbon credits kopen een bezorgde: telt dit straks nog wel mee? De SBTi Corporate Net-Zero Standard V2.0 geeft antwoord. Carbon credits en carbon removals hebben nu een vaste, geplande plek op de weg naar net zero, met een tijdlijn waar bedrijven een strategie omheen kunnen bouwen.
Het Science Based Targets initiative (SBTi) is de organisatie die de meeste grote bedrijven gebruiken om te laten bevestigen dat hun klimaatdoelen geloofwaardig zijn en passen bij het beperken van de opwarming. De standaard is in feite het regelboek voor wat telt als een serieuze net-zerotoezegging. V2.0 is de nieuwe versie van dat regelboek, en voor het eerst legt die een duidelijke volgorde vast voor hoe credits en removals een doel ondersteunen.
De korte versie: wat V2.0 zegt over carbon credits
Onder de SBTi Corporate Net-Zero Standard V2.0 halen bedrijven hun doelen nog steeds door hun eigen uitstoot te verlagen, en carbon credits vervangen die reducties niet. Nieuw is een gestructureerd kader, Ongoing Emissions Responsibility (de opvolger van beyond value chain mitigation, BVCM), dat credits een rol geeft in drie fasen: een vrijwillig erkenningsprogramma waar bedrijven nu aan mee kunnen doen, een verplichting vanaf 2035 voor categorie A-bedrijven om carbon removals te financieren, en een verplichting om alle resterende uitstoot met removals te neutraliseren zodra een bedrijf net zero bereikt.
Voor de koolstofmarkt is dit de duidelijkheid die ontbrak: een vastgelegde, groeiende en uiteindelijk verplichte vraag naar hoogwaardige credits en removals.
Belangrijke data
Wanneer | Wat er gebeurt |
|---|---|
Juni 2026 | SBTi publiceert de Corporate Net-Zero Standard V2.0 (Engelstalig) |
Eerste kwartaal 2027 | SBTi verwacht het validatieportaal te openen voor doelen onder V2.0 |
Eerste kwartaal 2027 tot 31 januari 2028 | Bedrijven kunnen doelen indienen onder versie 1.3.1 of versie 2.0 |
Vanaf 1 februari 2028 | Versie 2.0 is verplicht voor nieuwe indieningen |
Tot 2035 | Erkenning via Ongoing Emissions Responsibility is voor alle bedrijven vrijwillig |
Vanaf 2035 | Categorie A-bedrijven moeten elk jaar carbon removals financieren |
Net-zerojaar (uiterlijk 2050) | Alle restemissies geneutraliseerd met geschikte removals |
Bedrijven die al doelen voor 2030 hebben, stellen hun volgende doelen, voor 2030 tot 2035, op onder V2.0.
De weg vooruit, in drie fasen
De kern van V2.0 voor iedereen in de koolstofmarkt is het Ongoing Emissions Responsibility (OER)-kader. Het idee erachter: bedrijven blijven uitstoten terwijl ze naar net zero toewerken, dus nemen ze verantwoordelijkheid voor die lopende uitstoot door klimaatactie buiten hun eigen activiteiten te financieren. Het kader beschrijft dit in drie fasen die na elkaar ingaan.
Fase 1: word nu erkend
Zodra V2.0 in gebruik is, kunnen bedrijven publieke erkenning krijgen op het SBTi Dashboard voor het financieren van klimaatactie, afhankelijk van hoeveel van hun lopende uitstoot ze over een periode van vijf jaar dekken. Er zijn drie niveaus:
Engaged: dek minstens 1% van de totale lopende uitstoot, door geverifieerde mitigatie van datzelfde volume te financieren of door een bijdragebudget toe te zeggen. SBTi raadt een budget aan van minstens $20 per ton CO2-equivalent.
Advanced: dek alle uitstoot in scope 1 en 2 plus genoeg scope 3 om minstens 10% van de totale uitstoot te bereiken, via geverifieerde mitigatie of een budget van $20 per ton.
Leadership: dek 100% van de totale lopende uitstoot met een budget van $80 per ton. Volgens SBTi betekent dit dat een bedrijf de kosten van klimaatverandering volledig verrekent.
Deze fase beloont bedrijven die vroeg in actie komen. Een koper hoeft niet te wachten op een toekomstige deadline om erkenning te krijgen voor klimaatactie van vandaag. Wie meedoet, rapporteert wel elk jaar een volledige scope 3-inventaris en laat zijn bijdragen onafhankelijk borgen.
"De bedrijven die het meest profiteren van V2.0, zien de vrijwillige fase als een voorsprong. Erkenning is nu beschikbaar, hoogwaardig aanbod is nog bereikbaar, en kopers die dit jaar relaties opbouwen met sterke projecten, staan veel sterker als de eisen strenger worden. Vroege starters krijgen zowel de erkenning als het betere aanbod." Boris Bekkering, Commercial Director, Regreener
Bijdrage versus neutralisatie
Voor nieuwkomers is het belangrijkste onderscheid dat tussen twee woorden die SBTi zorgvuldig gebruikt: bijdrage en neutralisatie. Een klimaatbijdrage financiert emissiereducties of removals ergens buiten je eigen activiteiten, en wordt naast je uitstoot gerapporteerd in plaats van die weg te strepen. Neutralisatie is het specifiek in evenwicht brengen van de uitstoot die je niet kunt elimineren, en dat kan alleen met carbon removals.
Dit vertelt je wat je moet kopen en wanneer. In de erkenningsfase tellen zowel geverifieerde reducties als removals mee. Naarmate een bedrijf net zero nadert, verschuift de focus naar removals. Als je dat nu weet, kun je een portfolio plannen dat ook later nog klopt, in plaats van voor vandaag te kopen en later opnieuw te moeten kopen.
Fase 2: removals worden verplicht vanaf 2035
Vanaf 2035 gaan categorie A-bedrijven van vrijwillig naar verplicht. Daaronder vallen grote bedrijven in elk land, met een jaaromzet van minstens €450 miljoen of minstens 1.000 medewerkers. Middelgrote bedrijven in hogeinkomenslanden zoals Nederland vallen ook onder categorie A als ze aan minstens twee van drie drempels voldoen (een balanstotaal van €25 miljoen, €50 miljoen omzet, 250 medewerkers) of 10.000 ton CO2-equivalent of meer uitstoten in scope 1 en 2. Kleinere bedrijven, en middelgrote bedrijven in lagere-inkomenslanden, vallen onder categorie B en zijn niet gebonden aan de verplichting van 2035. Onze gids over SBTi categorie A of B legt uit hoe de toets werkt voor groepen en dochters.
Categorie A-bedrijven moeten in 2035 geschikte carbon removals financieren ter grootte van 1% van hun lopende uitstoot in scope 1, 2 en 3, lineair oplopend tot 100% in hun net-zerojaar, en uiterlijk in 2050. Omdat dat aandeel sneller stijgt dan de uitstoot daalt, piekt het verplichte volume in tonnen in de jaren veertig, vóór het net-zerojaar. In ons artikel over de SBTi-eisen voor CO2-verwijdering rekenen we het door.
De eisen aan de duur van opslag stijgen mee met het volume. Vanaf 2035 moeten langdurige removals, die koolstof eeuwen tot millennia vasthouden, minstens 10% dekken van de gedekte uitstoot van langlevende broeikasgassen zoals CO2, lineair oplopend tot 100% in het net-zerojaar. SBTi heeft aangekondigd deze criteria voor na 2035 in de volgende grote herziening opnieuw te bekijken, maar de richting staat vast: duurzame removals gaan van een nichekeuze naar een kernvereiste.
Fase 3: volledige neutralisatie bij net zero
Wanneer een bedrijf zijn net-zerodoeljaar bereikt, en elk jaar daarna, moet het de uitstoot terugbrengen tot nul of restniveau en alles wat overblijft neutraliseren met geschikte carbon removals. Restemissies van langlevende broeikasgassen moeten in evenwicht worden gebracht met langdurige removals; voor de rest mag je kortlevende removals, langdurige removals of een mix gebruiken. Restemissies in scope 1 zijn de directe verantwoordelijkheid van het bedrijf; restemissies in scope 3 kun je samen met ketenpartners neutraliseren die dezelfde uitstoot rapporteren.
Wat telt als een kwalitatieve credit
V2.0 beloont de zorgvuldigheid die goede kopers al toepasten. Om erkenning te ondersteunen of uitstoot te neutraliseren, moet een credit voldoen aan de integriteitseisen van SBTi en, waar die bestaan, aan erkende criteria van derden. In de praktijk betekent dat:
Additionaliteit: het klimaatvoordeel was er zonder de financiering niet gekomen.
Conservatieve meting: achteraf geverifieerd, met afgebakende grenzen, monitoring en aandacht voor leakage.
Waarborgen tegen terugval waar koolstof weer kan vrijkomen.
Onafhankelijke borging door een geaccrediteerde derde partij.
Genummerde eenheden in een register die bij het claimen definitief worden afgeboekt en niet tegelijk door een ander worden geclaimd.
Voor neutralisatie moeten bedrijven daarnaast melden of removal-credits door het gastland zijn geautoriseerd met corresponding adjustments. En credits tellen nooit mee voor reductiedoelen: volgens SBTi tellen gefinancierde mitigatieresultaten niet mee voor de uitvoering van doelen in scope 1, 2 of 3 en worden ze niet van de inventaris afgetrokken.
Dit zijn dezelfde basisprincipes die Regreener toepast in haar kwaliteitskader met 100+ datapunten. V2.0 bevestigt dus in feite dat hoogwaardige inkoop en een geloofwaardige SBTi-positie hetzelfde zijn.
Wat er verder nieuw is in V2.0 (naast credits)
V2.0 is een volledige update van de standaard, en verschillende wijzigingen buiten de regels voor credits maken het praktischer om je eraan te verbinden:
Twee bedrijfscategorieën. Categorie A (grote bedrijven overal, plus middelgrote bedrijven in hogeinkomenslanden) en categorie B (kleinere bedrijven, en middelgrote bedrijven in lagere-inkomenslanden). Voor categorie B zijn scope 3-doelen, openbaarmaking van het transitieplan en borging van het basisjaar optioneel.
Een actueel doelbasisjaar. In plaats van een vast historisch jaar stelt V2.0 doelen vast vanaf een actueel doelbasisjaar met de meest recente gegevens. Categorie A-bedrijven hebben minstens beperkte zekerheid (limited assurance) nodig op die basisjaargegevens.
Transitieplannen. Elk bedrijf heeft een transitieplan nodig dat laat zien hoe het zijn doelen uitvoert en hoe het op hoofdlijnen naar net zero gaat. Categorie A-bedrijven publiceren het binnen 15 maanden na validatie van de doelen.
Realistischere opties voor scope 1. Een absolute reductie, een sectorspecifiek pad voor emissie-intensiteit (bijvoorbeeld voor staal, cement of chemie) of een route via de vervanging van installaties voor bedrijven waarvan de apparatuur langzaam wordt vervangen. Alle routes mikken op net zero in 2050 of eerder.
Een bredere scope 2. Koolstofarme elektriciteit omvat nadrukkelijk hernieuwbare energie, kernenergie en opwekking met CO2-afvang en -opslag. Bedrijven met 10 GWh of meer jaarverbruik in een activity pool rapporteren hoeveel daarvan per uur is gematcht met koolstofarme stroom, met erkenning voor koplopers.
Flexibele scope 3. Doelen voor de korte termijn dekken elke scope 3-categorie die 5% of meer van de scope 3-uitstoot uitmaakt, met beperkte, onderbouwde uitzonderingen. Bedrijven kiezen tussen overkoepelende reductiedoelen, doelen voor de afstemming met leveranciers en klanten, of doelen per categorie.
Een model op basis van best effort. Een bedrijf dat een cyclus afsluit met hogere uitstoot dan het doel, krijgt in de volgende cyclus een steilere reductie, in plaats van uit het kader te vallen.
Wat dit betekent voor je strategie
V2.0 maakt van een vage verplichting een plan. Er zijn twee vraagsignalen, en die vragen om een andere inkoop. De erkenningsfase beloont een brede mix van hoogwaardige credits, waarbij reducties en removals allebei meetellen en vroege actie publieke erkenning oplevert. De fasen vanaf 2035 en bij net zero wijzen naar removals, en steeds vaker naar duurzame removals die vandaag schaars zijn.
Een bedrijf dat dit begrijpt, kan zijn portfolio in de juiste volgorde opbouwen: nu erkenning veiligstellen met sterke, geverifieerde projecten, en tegelijk een relatie opbouwen met aanbieders van duurzame removals, vaak via een offtake-overeenkomst, voordat de vraag toeneemt. Regreener bouwt portfolio's voor klanten op volgens deze volgorde, waarbij elke credit past bij de fase waarvoor hij bedoeld is, zodat wat een koper vandaag uitgeeft ook in 2035 en bij net zero nog werkt.
De eerste stap is weten waar je staat. Met de gratis SBTi V2-calculator van Regreener zie je in welke SBTi V2-categorie je valt en hoeveel removals je vanaf 2035 nodig hebt (in het Engels), met het langdurige aandeel en een indicatie van de kosten. Wil je daar een portfolioplan op bouwen? Spreek een Climate Strategist.






