Onder de eerste versie van de net-zerostandaard van SBTi speelde CO2-verwijdering pas aan het eind een rol: neutraliseer je restemissies zodra je net zero bereikt. Versie 2.0 maakt van CO2-verwijdering onder SBTi een jaarlijkse verplichting. Vanaf 2035 moeten grotere bedrijven elk jaar removals financieren, en dat volume groeit vijftien jaar lang.
Voor een duurzaamheids- of inkoopmanager wordt CO2-verwijdering daarmee van een onderwerp voor 2050 een budgetpost binnen de huidige planningshorizon. Het wordt ook een kwestie van aanbod, want de removals die als langdurig tellen, zijn vandaag schaars.
Het korte antwoord. Valt je bedrijf onder SBTi V2 in categorie A, dan moet je vanaf 2035 CO2-verwijdering financieren: 1% van je lopende uitstoot in scope 1, 2 en 3 in 2035, elk jaar oplopend tot 100% in je net-zerojaar. Een groeiend deel daarvan moet langdurig zijn: koolstof die eeuwen tot millennia wordt vastgelegd. De removals moeten geverifieerd zijn, op jouw naam worden afgeboekt en apart van je uitstoot worden gerapporteerd.
Wie moet removals kopen: categorie A-bedrijven
SBTi V2 deelt bedrijven in twee categorieën in. Je valt in categorie A als een van deze punten opgaat:
Een netto-omzet van minstens 450 miljoen euro of minstens 1.000 medewerkers, in elk land.
In een hogeinkomensland zoals Nederland: minstens 10.000 ton CO2e in scope 1 en 2.
In een hogeinkomensland: twee van de drie grootte-eisen, namelijk een balanstotaal van minstens 25 miljoen euro, een omzet van minstens 50 miljoen euro en minstens 250 medewerkers.
De removal-eis (C45) is verplicht voor categorie A en optioneel voor categorie B. Het neutraliseren van restemissies in het net-zerojaar (C46) geldt voor elk bedrijf met een net-zerodoel. Twijfel je over je categorie? Onze gids over SBTi categorie A of B legt uit hoe de toets werkt, ook voor dochters van grotere groepen, en ons overzicht van de SBTi Net-Zero Standard V2 behandelt de rest van de standaard.
De regel: 1% in 2035, lineair oplopend tot 100%
De standaard (Engelstalig) is concreet. Bedrijven moeten 1% van hun lopende uitstoot in scope 1, 2 en 3 dekken in 2035, "rising linearly to 100% by the company's net-zero target year, and no later than 2050" (C45.1). Met lopende uitstoot bedoelt SBTi de uitstoot die je in dat jaar nog rapporteert, niet je basisjaar.
Voor je planning tellen twee details. Het percentage geldt voor alle drie de scopes, ook als je vrijwillige aankoop van CO2-credits alleen scope 1 en 2 dekt. En de snelheid van het groeipad hangt af van je net-zerojaar: hoe eerder je net-zerodoel, hoe steiler de klim.
Jaar | Net zero in 2050: aandeel lopende uitstoot | Waarvan langdurig (minimum) | Net zero in 2045: aandeel lopende uitstoot | Waarvan langdurig (minimum) |
|---|---|---|---|---|
2035 | 1% | 10% | 1% | 10% |
2038 | 21% | 28% | 31% | 37% |
2040 | 34% | 40% | 51% | 55% |
2045 | 67% | 70% | 100% | 100% |
2050 | 100% | 100% | 100% | 100% |
De kolom langdurig is het minimale deel van de gedekte uitstoot van langlevende gassen dat met langdurige removals moet worden gedekt (C45.4). Bij de meeste bedrijven bestaat vrijwel alle uitstoot uit langlevende gassen, dus in de praktijk is het een aandeel van de removals die je koopt.
Het langdurige aandeel, en waarom methaan anders is
SBTi onderscheidt twee soorten removals op basis van hoe lang ze koolstof vastleggen. Een langdurige removal (long-lived) kan koolstof "eeuwen tot millennia" vasthouden; een kortlevende removal (short-lived) houdt koolstof "decennia tot eeuwen" vast. De standaard koppelt er bewust geen aantal jaren aan. Sommige samenvattingen noemen een grens van 1.000 jaar, maar die staat niet in de tekst.
De eis voor langdurige removals hangt samen met de gassen die je uitstoot. Langlevende broeikasgassen zijn CO2, lachgas en een aantal gehalogeneerde verbindingen. De standaard vraagt je te bepalen welk deel van je gedekte uitstoot uit deze gassen komt (C45.3), en alleen dat deel valt onder de eis voor langdurige removals. Uitstoot van kortlevende gassen, vooral methaan, mag je dekken met kortlevende removals, langdurige removals of een mix (C45.5). In het net-zerojaar geldt dezelfde logica: langlevende restemissies vragen langdurige removals, voor de rest mag het allebei (C46.2).
Voor een dienstverlener met vooral kantoren maakt dit onderscheid weinig uit, want vrijwel al zijn uitstoot is CO2. Voor een zuivelverwerker, een voedingsbedrijf of een afvalbedrijf met veel methaan in de footprint scheelt het flink in de kosten.
In de praktijk komen langdurige removals vandaag uit technieken als direct air capture met geologische opslag, enhanced rock weathering, bio-energie met CO2-afvang en -opslag, en een deel van de biochar, afhankelijk van hoe de duurzaamheid wordt aangetoond. Herbebossing, agroforestry en bodemkoolstof zijn typische kortlevende removals.
Waarom het volume aan removals in de jaren veertig piekt
Dit is het gevolg dat in de meeste plannen ontbreekt. Het aandeel removals stijgt sneller dan de uitstoot daalt, dus het verplichte volume in tonnen klimt door de jaren veertig heen en zakt pas in de laatste jaren voor net zero terug.
Neem het fictieve bedrijf uit onze gids over hoeveel CO2-credits een bedrijf nodig heeft: 3.500 ton CO2e in scope 1 tot en met 3, net zero in 2050, restemissies van 10%. De verplichte removals zijn 23 ton in 2035, zo'n 565 ton in 2040 en ongeveer 690 ton in 2044, waarna ze dalen naar 350 ton in 2050. De piek is bijna het dubbele van het volume bij net zero, en zo'n 440 ton daarvan moet langdurig zijn.
De planningsvraag voor je removal-strategie is dus wat je halverwege de jaren veertig nodig hebt, en waar je dat vandaan haalt.
Wat telt als geschikte removal
De removals die je financiert, moeten geverifieerde mitigatieresultaten opleveren, "measured in tCO2e within the same reporting period as the covered emissions", en voldoen aan de integriteitscriteria van de standaard (C45.2, C42). In de praktijk betekent dat:
Achteraf geverifieerd. Tonnen worden gemeten nadat ze zijn gerealiseerd, met conservatieve methodes, afgebakende grenzen, monitoring en aandacht voor leakage. Ex-ante- of termijncredits tellen pas als ze zijn geleverd en geverifieerd.
Additioneel. De activiteit is niet wettelijk verplicht, niet rendabel zonder jouw steun en niet al volledig gefinancierd.
Beschermd tegen terugval. Waar koolstof weer kan vrijkomen, zoals bij bossen en bodems, zijn er risicoanalyses en waarborgen zoals bufferpools.
Onafhankelijk geborgd door een geaccrediteerde derde partij, en eenmalig vastgelegd in een transparant register.
Op jouw naam afgeboekt op het moment van claimen, en niet tegelijk door een ander geclaimd (C43.4).
Apart gerapporteerd. Removals worden nooit van je inventaris afgetrokken en tellen niet mee voor je reductiedoelen (C43.1).
Voor de neutralisatie in het net-zerojaar komt er een rapportageplicht bij: je meldt of de removal-credits door het gastland zijn geautoriseerd met corresponding adjustments (C46.6). SBTi beveelt aan, zonder het te verplichten, removals te gebruiken die niet ook meetellen voor het klimaatdoel van een land (R46.1).
De formulering over dezelfde rapportageperiode heeft een praktisch gevolg. Wij lezen het zo dat een ton removal telt in het jaar waarin hij wordt geleverd en geverifieerd, niet in het jaar waarin je het contract tekent. Koop je vooruit via een offtake, stem het leverschema dan af op de jaren die je moet dekken.
Wat het gaat kosten
De prijzen lopen sterk uiteen per type, en het geld gaat vooral naar langdurige removals. Als gedateerde referentie: MSCI noemde in juli 2026 zo'n 15 dollar per ton voor kortlevende removals en een minimumgemiddelde van zo'n 130 dollar per ton voor langdurige removals. De biochar-prijsindex van Puro.earth stond in augustus 2026 op 135,35 euro per ton. Direct air capture ligt daar ruim boven. Ons overzicht van prijzen voor carbon removal credits geeft gedateerde referentieprijzen per type removal.
Voor het fictieve bedrijf betekent alleen het langdurige deel al enkele honderden tonnen per jaar halverwege de jaren veertig, tegen een prijs per ton die een orde van grootte boven vermijdingscredits ligt. Die post hoort jaren voordat hij ingaat al in het financiële plan.
Zo koop je removals op tijd in
Bij removals is inkoop eerst een kwestie van aanbod en pas daarna van prijs. Drie beslissingen bepalen het.
Bepaal eerst je langdurige volume. Dat is het schaarste en duurste deel. Reken per jaar vanaf 2035 uit hoeveel langdurige removals je nodig hebt en behandel dat als het getal om veilig te stellen.
Gebruik offtakes voor het langdurige deel. De meeste projecten voor duurzame removals verkopen hun productie jaren voor levering, via offtake-overeenkomsten die prijs en volume vastleggen. Een contract uit 2027 of 2028 voor leveringen vanaf 2035 geeft je een prijs en een leverancier zolang de concurrentie om aanbod nog beperkt is. In onze kopersgids voor offtake-overeenkomsten lees je welke contractvoorwaarden ertoe doen, en ons artikel over een tender voor CO2-verwijdering beschrijft de stappen van de inkoop.
Bouw eerder een portfolio met kortlevende removals op. Natuurlijke removals uit herbebossing en agroforestry kunnen het deel van de eis dekken dat niet langdurig hoeft te zijn. Door vóór 2035 te beginnen, test je leveranciers, monitoring en rapportage terwijl de volumes nog klein zijn.
Tip van Bernard de Wit, medeoprichter van Regreener: "De bedrijven die het in 2040 lastig krijgen, zijn de bedrijven die pas naar aanbod gaan zoeken als de eis al geldt. Projecten voor duurzame removals kiezen nu hun afnemers, en ze geven de voorkeur aan afnemers die zich voor meerdere jaren aan volume binden. Budget vind je binnen een jaar; een leverancier met capaciteit niet."
Due diligence weegt bij removals zwaarder dan bij vermijdingscredits, omdat de claim fysiek is: koolstof die uit de atmosfeer is gehaald en daar wegblijft. Elk removal-project dat Regreener aanbiedt, gaat door ons kwaliteitskader met 100+ datapunten. Daarin beoordelen we permanentie, overcreditering en meetnauwkeurigheid als onderdeel van de klimaatimpact, en apart hoe monitoringgegevens door de tijd worden verzameld en gerapporteerd.
Vóór 2035: de vrijwillige erkenningsniveaus
Tot 2035 is het kopen van CO2-credits onder SBTi V2 vrijwillig. De standaard beloont het via het erkenningsprogramma Ongoing Emissions Responsibility, met drie niveaus op basis van de dekking over de vijf meest recente jaren:
Engaged: minstens 1% van de totale lopende uitstoot in scope 1, 2 en 3, via geverifieerde mitigatieresultaten of een bijdragebudget (SBTi beveelt minstens 20 dollar per gedekte ton aan).
Advanced: 100% van scope 1 en 2 plus scope 3 tot de totale dekking minstens 10% is, via geverifieerde mitigatieresultaten of een budget van 20 dollar per gedekte ton.
Leadership: 100% van de totale uitstoot in scope 1, 2 en 3, met een budget van 80 dollar per gedekte ton.
Meedoen is optioneel, en vermijdingscredits kunnen meetellen. Voor een categorie A-bedrijf is het ook een manier om de leveranciersrelaties en rapportageroutines op te bouwen die het vanaf 2035 nodig heeft.
Check je eigen verplichting
De getallen in dit artikel volgen rechtstreeks uit de standaard, maar die van jou hangen af van je uitstoot, je net-zerojaar en je mix van gassen. Met de gratis SBTi V2-calculator van Regreener zie je je categorie en kun je per jaar je SBTi-verplichting voor CO2-verwijdering berekenen (in het Engels), vanaf 2035, met het langdurige aandeel en een indicatie van de kosten.
Wil je daar een inkoopplan van maken, inclusief het deel dat je via een offtake veiligstelt? Spreek een Climate Strategist.






