"Hoeveel CO2-credits heb ik nodig?" Op die vraag bestaan twee antwoorden: een kort antwoord en een planningsantwoord. Het korte: één CO2-credit per ton CO2-equivalent die je adresseert. Bij het planningsantwoord gaan budgetten mis, want het aantal verandert elk jaar, en het type credit dat je nodig hebt ook.
De meeste bedrijven die we spreken, nemen de footprint van vorig jaar en vermenigvuldigen die met een prijs. Dat levert een getal op voor 2026. Over 2030 zegt het niets, terwijl je uitstoot dan lager hoort te zijn. En ook niets over 2035, het jaar waarin SBTi grotere bedrijven om removals gaat vragen.
Het korte antwoord. Het aantal CO2-credits dat je bedrijf in jaar X nodig heeft, is je verwachte uitstoot in jaar X maal het deel dat je wilt dekken, verdeeld over vermijdingscredits, natuurlijke removals en duurzame removals. Vanaf 2035 legt SBTi V2 voor categorie A-bedrijven een minimum aan removals op, en in je net-zerojaar moet je alle restemissies neutraliseren met removals.
Begin bij de uitstoot die je per jaar nog hebt
Je creditvolume volgt je reductiepad, niet je huidige emissie-inventaris. Wil je de uitstoot in scope 1 en 2 tot 2032 met 60% verlagen, dan betaal je bij een jaarlijkse aankoop op basis van je huidige footprint voor tonnen die je niet meer uitstoot.
Om te plannen volstaat een eenvoudig pad: neem de uitstoot in je basisjaar, kies je net-zerojaar en ga ervan uit dat de uitstoot in een rechte lijn daalt naar een restniveau. SBTi V2 eist langetermijndoelen die de uitstoot uiterlijk in 2050 terugbrengen tot restemissies, en waar de standaard daar een getal aan hangt, gaat het om restemissies van ongeveer 10% of minder. Reken voor je planning dus met zo'n 10% van de uitstoot in het basisjaar. In de praktijk loopt je reductie niet in een rechte lijn, maar tot je een beter pad hebt, is een rechte lijn een verdedigbare aanname.
Nog geen inventaris? Breng eerst scope 1 en 2 in kaart; dat zijn meestal je nauwkeurigste cijfers. Scope 3 kun je starten met schattingen op basis van uitgaven en later verfijnen.
Daarna is het volume per jaar een eenvoudige som:
benodigde credits in jaar X = verwachte uitstoot binnen scope in jaar X × het deel dat je dekt
Bepaal welke uitstoot je dekt
Deze keuze bepaalt het getal meer dan wat ook. Bij de meeste dienstverleners en lichte maakbedrijven is scope 3 een veelvoud van scope 1 en 2 samen. Of je alleen scope 1 en 2 dekt, scope 1 en 2 plus zakenreizen, of alle scopes: het verschil in jaarvolume kan oplopen tot een veelvoud.
Er is geen regel die voorschrijft welke scopes je vóór 2035 vrijwillig moet dekken. De juiste keuze hangt af van wat je wilt kunnen zeggen, wat je kunt financieren en hoe geloofwaardig je reductieplan ernaast staat. Een bedrijf dat een kleine, goed afgebakende scope dekt met hoogwaardige credits en daar transparant over rapporteert, staat sterker dan een bedrijf dat alles dekt met de goedkoopste credits van de markt.
Houd bij het bepalen van je volume je claim in het oog. Ook als je 100% van scope 1 en 2 dekt, mag je je bedrijf of producten richting consumenten in de EU niet klimaatneutraal noemen. Sinds 27 september 2026 verbiedt EmpCo neutraliteitsclaims op basis van compensatie; wat je wel mag zeggen, is dat je geverifieerde klimaatprojecten financiert. In onze gids over klimaatneutraal-claims onder EmpCo lees je welke formuleringen werken.
Het minimum van SBTi V2: removals vanaf 2035
SBTi publiceerde in juni 2026 versie 2.0 van de Corporate Net-Zero Standard (Engelstalig), te gebruiken vanaf begin 2027. Twee eisen in hoofdstuk 6 leggen voor categorie A-bedrijven een minimumvolume vast:
Vanaf 2035 (C45): financier geschikte CO2-verwijdering ter grootte van minstens 1% van je lopende uitstoot in scope 1, 2 en 3, met een vastgesteld en groeiend aandeel langdurige removals.
In het net-zerojaar (C46): breng je uitstoot terug tot nul of restniveau en neutraliseer alle restemissies met geschikte removals.
Let op: die 1% geldt voor alle drie de scopes, ook als je vrijwillig alleen scope 1 en 2 dekt. En het blijft geen 1%: volgens de standaard loopt het aandeel lineair op van 1% in 2035 tot 100% van je lopende uitstoot in je net-zerojaar, en uiterlijk in 2050 (C45.1). Het langdurige deel volgt hetzelfde patroon, van minstens 10% van de gedekte uitstoot van langlevende gassen zoals CO2 in 2035 tot 100% in het net-zerojaar (C45.4). SBTi kondigt aan deze criteria voor na 2035 in de volgende grote herziening van de standaard opnieuw te bekijken, dus de getallen kunnen nog veranderen.
Je valt in categorie A met een netto-omzet van minstens 450 miljoen euro of minstens 1.000 medewerkers. In een hogeinkomensland zoals Nederland val je er ook onder met minstens 10.000 ton CO2e in scope 1 en 2, of als je aan twee van de drie grootte-eisen voldoet: een balanstotaal van minstens 25 miljoen euro, een omzet van minstens 50 miljoen euro en minstens 250 medewerkers. Dat zijn de criteria waarmee de Europese jaarrekeningrichtlijn een groot bedrijf definieert. Veel middelgrote Nederlandse bedrijven belanden daardoor in categorie A. Ons artikel over de SBTi Net-Zero Standard V2 behandelt de rest van de standaard, en ons artikel over SBTi-categorie A of B loopt de toets stap voor stap door.
Nog één regel bepaalt je plan: CO2-credits tellen nooit mee voor je SBTi-reductiedoelen. De standaard zegt letterlijk dat gefinancierde mitigatieresultaten niet meetellen voor de uitvoering van doelen in scope 1, 2 of 3 en niet van je emissie-inventaris worden afgetrokken (C43.1). Credits komen bovenop reductie, nooit in plaats daarvan.
Verdeel het volume over typen credits
Het aantal tonnen is de helft van het plan. De andere helft is welke tonnen. Drie categorieën dekken de meeste portfolio's:
Vermijdings- en reductiecredits, zoals schone kookstellen, stortgas of vermeden ontbossing. De laagste prijs per ton, maar geen waarde als removal onder SBTi.
Natuurlijke removals, zoals herbebossing en agroforestry. Een middenprijs, met permanentierisico's die worden afgedekt met bufferpools en monitoring.
Duurzame removals, zoals enhanced rock weathering, direct air capture met geologische opslag en biochar. De hoogste prijs per ton. Langdurige removals in de zin van SBTi, koolstof die "eeuwen tot millennia" wordt vastgehouden, komen uit deze groep.
De prijsverschillen tussen deze categorieën zijn groot. MSCI noemde in juli 2026 een twaalfmaandsgemiddelde van zo'n 3,6 dollar per ton voor reductiecredits en een minimumgemiddelde van zo'n 130 dollar per ton voor langdurige removals. De mix bepaalt je budget dus minstens zo sterk als het volume. In onze gids over avoidance en removal lees je meer over de afwegingen.
Een plan dat standhoudt, verschuift de mix in de tijd: in de eerste jaren vooral vermijdingscredits en natuurlijke removals, richting 2035 een groeiend aandeel removals, en duurzame removals voor de restemissies in je net-zerojaar.
Tip van Bernard de Wit, medeoprichter van Regreener: "Plan eerst de jaren met removals en reken van daaruit terug. Het aanbod van duurzame removals is klein en wordt grotendeels jaren vooruit verkocht via offtakes. Wie in 2034 removals gaat kopen, betaalt wat er dan nog over is. Wie nu een deel van zijn volume voor 2035 vastlegt, heeft een prijs en een leverancier."
Een rekenvoorbeeld per jaar
Om te laten zien hoe de onderdelen samenkomen, een fictief Nederlands bedrijf: 120 miljoen euro omzet, 400 medewerkers, een balanstotaal van 60 miljoen euro. Uitstoot: 1.000 ton in scope 1, 500 ton in scope 2 en 2.000 ton in scope 3. Net-zerojaar 2050, restemissies 10% van het basisjaar. Het bedrijf dekt vrijwillig scope 1 en 2, met een gebalanceerde mix van typen credits.
Omzet, balanstotaal en personeel liggen alle drie boven de drempels, dus dit bedrijf valt onder SBTi V2 in categorie A.
Jaar | Benodigde credits | Waarvan removals verplicht onder SBTi V2 | Wat het getal bepaalt |
|---|---|---|---|
2027 | 1.444 ton | geen | Scope 1 en 2 op het reductiepad |
2035 | 994 ton | 23 ton | Scope 1 en 2, met 1% van alle lopende uitstoot als removals binnen dat volume |
2040 | 713 ton | 565 ton | Het aandeel removals stijgt elk jaar (C45.1) |
2044 | 687 ton | 687 ton, waarvan 440 ton langdurig | Het SBTi-minimum is nu groter dan de vrijwillige dekking van scope 1 en 2 |
2050 | 350 ton | 350 ton, alles langdurig | Restemissies in alle scopes, geneutraliseerd |
Drie dingen vallen op. Het totale volume daalt tussen 2027 en 2050 met driekwart, maar de prijs per ton stijgt sterk omdat de mix naar removals verschuift. De removal-eis piekt niet in het net-zerojaar, maar rond 2044, op bijna het dubbele van het volume in 2050, omdat het aandeel sneller stijgt dan de uitstoot daalt. En vanaf 2042 is het SBTi-minimum groter dan wat het bedrijf vrijwillig wilde dekken, inclusief uitstoot in scope 3 die het nooit van plan was te adresseren.
De cijfers komen uit de planner van Regreener, met de standaardaannames (reductie in een rechte lijn vanaf 2026, gebalanceerde mix, alle uitstoot gerekend als langlevende gassen). Jouw pad wijkt af, en het budget hangt af van de prijzen waarmee je rekent.
Veelgemaakte fouten bij het bepalen van je volume
Budgetteren op basis van je huidige footprint. Daarmee overschat je het volume in latere jaren en mis je de kostenstijging door removals. Plan per jaar.
Credits meetellen voor je reductiedoel. SBTi staat dat niet toe, en accountants vragen onder CSRD hoe je credits en reductie rapporteert. Houd ze in aparte regels.
Removals zien als iets voor 2035. De verplichting begint in 2035, de inkoop niet. Projecten voor duurzame removals verkopen hun productie vaak jaren vooruit. Daarom kijken bedrijven met een duidelijke toekomstige behoefte voor een deel van hun volume naar een offtake-overeenkomst. Een offtake legt prijs en levering vast; spot inkopen houdt je flexibel, met het risico dat je meer betaalt als de vraag piekt.
Plan je eigen volume
De berekening hierboven kun je in een spreadsheet maken. De gratis planner van Regreener doet het voor je: vul je uitstoot, net-zerojaar en dekkingskeuze in en je krijgt je SBTi-categorie en een plan per jaar voor je volume aan CO2-credits (in het Engels), verdeeld per type credit, met een budgetrange en een vergelijking tussen spot en offtake. Wil je van het volume een budget voor volgend jaar maken? Lees hoe je een budget voor CO2-credits voor 2027 bepaalt.
Het volume pas je makkelijk aan. Waar accountants, klanten en journalisten naar kijken, is de kwaliteit van de credits erachter: is elke ton additioneel, blijft de koolstof lang genoeg opgeslagen voor de claim die je maakt, en is de credit op jouw naam afgeboekt in een openbaar register? Daarom gaat elk project in het portfolio van Regreener door ons kwaliteitskader met 100+ datapunten voordat we het aanbieden aan de ruim 200 Europese bedrijven met wie we werken.
Wil je een second opinion op je plan of op de credits om het te vullen? Spreek een Climate Strategist.






