Bossen slaan enorme hoeveelheden koolstof op, en tropische ontbossing laat die vrij op een schaal die weinig andere activiteiten evenaren. REDD+ moest staande bossen meer waard maken dan gekapte. Het is ook het deel van de CO2-markt dat de scherpste kritiek kreeg, en dat de afgelopen twee jaar het meest veranderde.
REDD+ levert carbon credits op voor ontbossing en bosdegradatie die een project voorkomt, gemeten ten opzichte van een baseline van het bosverlies dat er anders was geweest. In die baseline zit zowel de waarde als de controverse. In dit artikel lees je hoe REDD+ werkt, wat het bewijs over overcreditering laat zien, hoe nieuwe methodes en REDD+ op landsniveau het beeld veranderen, en wat je als koper nu controleert.
Zo werkt REDD+
REDD+ begon als VN-kader om tropische landen te betalen voor minder ontbossing. Op de vrijwillige markt gaat het meestal om projecten:
Een bedreigd bos. Het projectgebied loopt risico op ontbossing, gepland (bijvoorbeeld een concessie voor plantages) of ongepland (geleidelijke kap voor landbouw, houtwinning of bewoning).
Een baseline. Het project schat hoeveel bos er zonder project zou verdwijnen, meestal op basis van historische ontbossing in een vergelijkbaar referentiegebied.
Beschermingsactiviteiten. Patrouilles, steun bij landrechten, alternatieve inkomsten, brandpreventie, afspraken met gemeenschappen.
Credits. Het verschil tussen het bosverlies in de baseline en het werkelijke, gemonitorde verlies, omgerekend naar tonnen CO2 en na aftrek voor weglek en een bijdrage aan de bufferpool, wordt uitgegeven als credits.
REDD+-credits zijn vermijdingscredits: ze houden koolstof in het bos in plaats van die uit de atmosfeer te halen (vermijden of verwijderen).
Waarom REDD+ omstreden is
Een staand bos meten is met satellieten eenvoudig. Het bos meten dat zonder project zou zijn verdwenen, niet. Gaat de baseline uit van te veel ontbossing, dan verdient het project credits voor bos dat nooit gekapt zou worden.
Onafhankelijk onderzoek heeft dat getoetst. Een synthese uit april 2026 combineerde zes onafhankelijke evaluaties van 44 REDD+-projecten. Ongeveer vier op de vijf projecten verminderden de ontbossing wel, maar samen gaven ze bijna elf keer meer credits uit dan de vermeden ontbossing rechtvaardigde, vooral omdat referentiegebieden en baselinemodellen de dreiging overschatten (Swinfield e.a., Nature Communications, 2026).
Drie andere punten komen vaak terug:
Weglek: als je het ene bos beschermt, kan de kap naar het volgende verschuiven.
Permanentie: beschermd bos kan later alsnog afbranden of gekapt worden (permanentie en bufferpools).
Rechten en verdeling van opbrengsten: veel REDD+-gebieden zijn het thuis van inheemse volken en lokale gemeenschappen, wier instemming en aandeel in de opbrengst geregeld moeten zijn.
De kritiek richt zich op hoe credits zijn berekend; hetzelfde onderzoek vond dat de meeste projecten wel degelijk bos beschermden. De uitdaging is betalen voor die bescherming zonder de tonnen te overdrijven.
Wat er veranderde: nieuwe methodes en het CCP-label
Verra’s VM0048 vervangt de oudere REDD+-methodes van Verra door één aanpak waarin projecten hun baseline niet zelf kiezen. Verra stelt per regio het ontbossingsrisico en de activiteitsdata vast, en projecten krijgen hun deel daarvan toegewezen. Oudere methodes zoals VM0007 heeft Verra niet ter beoordeling bij de ICVCM ingediend, en bestaande projecten moeten bij hun volgende herbeoordeling van de baseline of verlenging van de creditperiode overstappen op VM0048. De invoering hangt af van Verra’s risicokaarten per regio; in april 2026 stonden de eerste credits onder het nieuwe kader op het punt te worden uitgegeven.
REDD+ op landsniveau (jurisdictional REDD+) tilt de aanpak een niveau hoger: een heel land of een hele provincie vermindert de ontbossing en krijgt credits voor het resultaat, onder standaarden zoals ART TREES of Verra’s Jurisdictional and Nested REDD+ (JNR). Afzonderlijke projecten kunnen daarbinnen worden “genest”, zodat de boekhouding van project en overheid op elkaar aansluit.
In november 2024 keurde de ICVCM drie REDD+-methodes goed voor het CCP-label: ART TREES v2.0, Verra VM0048 en Verra JNR v4.1 (ICVCM). Credits onder de oudere methodes kunnen het label niet krijgen (Core Carbon Principles uitgelegd).
Wat dit betekent voor credits die nu te koop zijn
De meeste REDD+-credits die nu beschikbaar zijn, komen nog van projecten onder oudere methodes, omdat het nieuwe kader pas begint met uitgeven. Dat geeft in de praktijk twee soorten:
REDD+-credits onder oudere methodes | Credits onder VM0048 of op landsniveau | |
|---|---|---|
Baseline | door het project vastgesteld | op regionaal niveau vastgesteld |
CCP-label | niet mogelijk | mogelijk |
Beschikbaarheid nu | groot | klein, groeiend |
Wat je controleert | de eigen baseline van het project, onafhankelijke ratings, weglek, afspraken met gemeenschappen | de data van de regio en de regels voor nesting |
Een credit onder een oudere methode is niet automatisch zwak, en een nieuwe niet automatisch sterk. Maar een oudere credit vraagt meer due diligence op projectniveau, omdat de methode zelf niet meer de kwaliteitsondergrens is.
Twee projecten in de portefeuille van Regreener laten de spreiding zien: Katingan Mentaya in Indonesië (Verra VCS 1477), dat ongeveer 150.000 hectare veenbos beschermt dat oorspronkelijk voor plantages bestemd was, en Matavén in Colombia (Verra VCS 1566), geleid door inheemse gemeenschappen op meer dan een miljoen hectare. Beide gebruiken een oudere methode, over beide zijn publiekelijk vragen gesteld, en beide doorliepen onze volledige screening voordat we ze aanboden.
Tip van Bernard de Wit, oprichter van Regreener: “Vraag bij elk REDD+-project om drie dingen: het ontbossingstempo dat de baseline aanneemt, het werkelijke tempo in het referentiegebied sinds de start van het project, en de laatste onafhankelijke rating. Ligt het aangenomen tempo ver boven wat er ernaast echt gebeurde, dan heb je het risico op overcreditering gevonden voordat je ervoor betaalt.”
Zo koop je REDD+-credits verantwoord
Controleer de baseline: aangenomen ontbossingstempo tegenover het waargenomen tempo in vergelijkbare gebieden.
Kies waar mogelijk recente methodes (VM0048, JNR, ART TREES) en zoek naar het CCP-label.
Gebruik onafhankelijke ratings van BeZero, Sylvera of Calyx; bij REDD+ lopen ratings het verst uiteen (ratingbureaus vergeleken).
Controleer de afspraken met gemeenschappen: instemmingsprocedures, landrechten en hoe de opbrengst wordt verdeeld.
Claim het correct: REDD+ is vermijding. Het ondersteunt een bijdrageclaim, maar telt niet als verwijdering voor de verwijderingseis van SBTi (SBTi-eisen voor CO2-verwijdering).
Voor de projecten die wij nu het hoogst beoordelen, zie de beste REDD+-credits. Met onze gratis kwaliteitscheck beoordeel je een specifiek project.
“Bosbescherming is een van de belangrijkste vormen van klimaatactie die er zijn, en een van de lastigste om te meten. Wij kopen nog steeds REDD+, selectief, omdat het alternatief is dat die bossen verdwijnen. Wat veranderde, is dat we elke REDD+-baseline nu zelf controleren voordat we een project aanbieden.”
Bernard de Wit, oprichter van Regreener
Controleer een REDD+-project voordat je koopt
Onze gratis kwaliteitscheck beoordeelt een project op baseline, additionaliteit en permanentie, met de vragen voor je leverancier.






